
Avant l'aurore
Wakker, warm als slapengaan,
schraapte de eeuwigheid haar keel,
in alle kleuren van het telraam.
De aarde nu was een zwijgende grijstoon,
tollend om allesbehalve een as.
Golven wentelden zich in golven,
dromen dromden in diepte bijeen.
Toen waaide ergens een wonder voorbij,
en het waaien werd woord
en het woord spoelde aan.
De verte keek de verte in
en leerde wat het was om te wachten
- kaarsen voor een Paasicoon,
een klaproos die wil opengaan,
en ook het wachten werd woord
en ook dat werd verstaan:
een a-a-ademend amen,
van vinvis tot torenvalk tot valdeurspin
het innig ingefluisterd introïtus.
Waakzaam wemelde, hemels geworteld,
woorden sprokkelend, zuiver: de mens.
Dartelende durfal, rillende beginneling.
De heuvels gonsden, de horizon zong,
de dag vouwde haar vleugels
als liefdesbrieven open.
< vorige - menu - volgende >
|