Dauwdruppeltjes

Een meisje huilt, ze is bang voor het onweer.
Ze kruipt tegen haar moeder aan in de kapel, bovenop de berg.
Een kruisbeeld, enkele kaarsjes, honden.
Een kistorgeltje staat in het midden, we zingen.
Het onweer is Gods aanwezigheid.
Deze kale, oude muren, één voor één wij vreemden, mensen.
In waaiend donker pompen we water, 's ochtends douchen we onder zonnestralen.

Tussen de bomen verstaan we elkaar.
Alleen op deze grot groeien deze gele bloempjes.
Hier, waar hij uitkeek over de vallei.
Hier, waar hij sprak over daden van liefde.
Het meisje en haar moeder lopen voorop.
We ruiken de geiten, de honden zijn stil.
Een tafel vol tomaten, kalk voor de hanen.

Het afscheid is een afdaling, zweet, woorden, antwoorden, vragen.
Een ganzenveertje, wit als de morgen, draagt dauwdruppeltjes.


< vorige - menu - volgende >