Op weg naar Galilea

Wij zijn op weg naar Galilea. Onze voeten wankelen.
Soms gaan we te snel. We spreken veel en toch te weinig.

We voelen de hete grond, de scherpe stukjes schelp en steen,
het gras langs onze enkels. We zijn op weg naar Galilea.

Daar komen we Hem tegen. Hij heeft zijn woord gesproken,
zijn handen opgestoken, zijn ogen opgericht en ons aangekeken.

Hij heeft de kinderen gezegend. Wij zijn op weg naar Galilea,
onder de blauwe hemel, alsof we nooit meer zullen stoppen.

Uit ons midden opgeheven trekt Hij ons nu naar zich toe.
Hij heeft zijn adem uitgeblazen, Hij heeft de warmte nagelaten

van zijn laatste adem; nu spreekt Hij nieuwe woorden,
zingt voor God een nieuw gezang. De warmte van zijn adem,

van zijn voeten op de aarde, de zonbeschenen kiezelstenen,
het wuivende, zuchtende graan, door onze handen

fijngewreven, als koper in de tempel. De rimpels
van de weduwe, de groeven in haar handen,

de schaduw tussen onze tanden en in onze ooghoeken,
de schaduwen zijn randen van de eens beloofde aarde

en de wolken worden opgerold en Hij zal nieuwe woorden
spreken en bazuinen laten klinken, laten klateren als water,

later, later… Als wij zijn aangekomen in Galilea, Galilea…
Waar zijn eerste en zijn laatste woord is: Ja.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *