Icoon

Hier is geen bloed, alleen de zon.
Hier leef ik voort als Ruslands zoon,

met kruis en kroon, en kijk jullie aan.
Livadia, Neva, Peterhof.

Geen gedenktekens van stenen,
maar gebeden zonder stem.

Eens verlangde ik te sterven,
omdat pijn mijn wereld was.

Nu houd ik voorgoed
mijn blauwe ogen open.

17 juli 1918 -17 juli 2018

Cassini-Huygens

als kind zag ik een tekening
een rondje in een rondje
onzichtbaar ver van hier

vandaag kijk ik omhoog
naar waar je je te pletter vloog
knipperend oog in de schitterende wildernis

een moeder naast haar zoon
haar armen in de duisternis

zonder titel

Die nacht waarin ik zwijgend bad dat alles zo mocht blijven,
was ook de nacht waarin ik in scherven uit elkaar viel.
Een stemloze sterveling, veranderd in een projectiel.

Die ochtend lag mijn iPhone in een bloedplas als een dode.
Raap me op en hou me tegen het licht, dat heb ik nodig.

Mist

De lucht was dichtgeschroefd die nacht,
maar in het diepst van wat ik zag
was alles één groot vergezicht

en ik fluisterde: ‘Wees gezegend, lief konijn’
en ik fietste verder door het donker, in het licht.

Minstreellied

Hoe kan ik anders
dan met lege handen voor u staan
en vragen om uw adem over deze snaren,
uw vingers door mijn haren? Hoe kan ik anders
dan u liefhebben met heel mijn hart?

Orlando

Je ligt zo vredig naast me.
Je ogen zijn gesloten,
je buik gaat zachtjes op en neer.
Hier herleeft de hartslag van de warme nacht

totdat iemand heel hard roept.
We worden wakker, blindelings.
We raken elkaar aan met gevaar voor eigen leven
en dansen op de maat van tranen.

De kinderen van Idomeni

Ze kwamen door winter en modder,
de warmte van thuis nog om hun lijf.
Ze zaten bij het vuur
en zagen in de vlammen hun straten.

Ze weten wat het waard is
dat de zon door de bladeren schijnt
die zacht bewegen in de wind
en dat hiervoor geen taal bestaat.

Ze zullen de aarde bewonen
als wij allang zijn weggevaagd
en bomen planten, zaden zaaien
met het licht van de verschrikking in hun ogen

en opzien naar de hemel en opnieuw beginnen.

Keats House

Ik stond voor het bed waar je bloed had gespuugd
en aan de helderheid ervan in het schijnsel van een vlam
had gezien dat je moest sterven. Het licht schoof even
opzij, werd sterker en zakte weer weg, als een opgetilde

voile. Het was zo stil in de kamer. De zon
raakte ons aan, het was mei, ik had net in de tuin
naast de pruimenboom gezeten, met kleurpotloden
getekend en geluisterd naar de vogels. Geen koorts,

geen koude adem. Hoe kan het dat je doodging,
slapend en bedauwd op een heuvel aan het water,
de nachtegaal achterna in een waas en toch

voortdurend voortleeft als figuren op een vaas?
Spetters op het laken, letters op papier. We laten
zoveel sporen na en toch is thuis voor ons niet hier.

Op weg naar Galilea

Wij zijn op weg naar Galilea. Onze voeten wankelen.
Soms gaan we te snel. We spreken veel en toch te weinig.

We voelen de hete grond, de scherpe stukjes schelp en steen,
het gras langs onze enkels. We zijn op weg naar Galilea.

Daar komen we Hem tegen. Hij heeft zijn woord gesproken,
zijn handen opgestoken, zijn ogen opgericht en ons aangekeken.

Hij heeft de kinderen gezegend. Wij zijn op weg naar Galilea,
onder de blauwe hemel, alsof we nooit meer zullen stoppen.

Uit ons midden opgeheven trekt Hij ons nu naar zich toe.
Hij heeft zijn adem uitgeblazen, Hij heeft de warmte nagelaten

van zijn laatste adem; nu spreekt Hij nieuwe woorden,
zingt voor God een nieuw gezang. De warmte van zijn adem,

van zijn voeten op de aarde, de zonbeschenen kiezelstenen,
het wuivende, zuchtende graan, door onze handen

fijngewreven, als koper in de tempel. De rimpels
van de weduwe, de groeven in haar handen,

de schaduw tussen onze tanden en in onze ooghoeken,
de schaduwen zijn randen van de eens beloofde aarde

en de wolken worden opgerold en Hij zal nieuwe woorden
spreken en bazuinen laten klinken, laten klateren als water,

later, later… Als wij zijn aangekomen in Galilea, Galilea…
Waar zijn eerste en zijn laatste woord is: Ja.

We zijn…

We zijn van lichtdoorlatend goud gemaakt,
van glas dat niet kapot gaat.
Onze bloedlichaampjes neuriën,

omdat we zo zoetjesaan het lied zijn gaan verstaan,
het lied doorheen het ruisen van de korrels in je hand
en het loof hoog boven je.

Zo kondigt zich dan het één na laatste uur aan:
een wervelwind van licht en zand, een droomspel
dat eindigt in water en vuur.

Terug naar de selectie